U bent hier

Hidde Dirks Kat

Hidde Dirks Kat staat fier in de tuin van De Stelp aan de Hidde Dirks Katstraat. Dit bronzen beeld, dat gemaakt is door Frans Ram uit Hogebeintum, is een monument voor de Amelander commandeur die met zijn brik Jufvrouw Klara ter walvis- en robbenvangst ging. Hij tuurt in de verte en wijst. Laten we er naar raden wat hij ziet: de spuit van een walvis, een ijsberg, de witte tanden van een inboorling of een ijsbeer.
In het ‘Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst gedaan in de jaren 1777 en 1778’ vertelt Kat over een lange en gevaarlijke reis die door slechts enkelen, waaronder hijzelf, werd overleefd.

Hamburg
Kat vertrok op 5 maart 1777 van Ameland. Hij voer via Hamburg naar Groenland. Daar werd hij met vijf schepen ingesloten in het ijs. Van dat vijftal schepen werden meteen al twee gekraakt tussen ijsschotsen. Spek en olie van de reeds gevangen walvissen dreef in zee. De geur van walvisspek en traan lokte ijsberen. De schipbreukelingen schoten enkele beren en zoutten deze in om later op te eten ter aanvulling van hun leeftocht. Het vlees was lekker, maar de mannen werden er ziek van.

IJsland
Vanuit het kraaiennest was IJsland te zien. Het eiland was echter niet bereikbaar voor de drie schepen die nog immer in het ijs vastzaten. Niet lang daarna werden de laatste drie schepen in een storm door het ijs verbrijzeld. Daar stonden ze. Van elk schip 78 man. Op het ijs, 21 mijl ver van land en onder de blote hemel. Enkele sloepen en leeftocht werden gered. Na de eerste nacht was de ijsschots met de 78 man van commandeur Pieter Andersen vergaan. Slechts de commandeur en enkele manschappen hadden zich weten te redden. De schots van Kat brak in tweeën en ze verloren vier sloepen. Commandeur Albert Jans zou later op een afgebroken schots afdrijven en uit het gezicht verdwijnen.

Over ijs
Een groep van 27 mannen besloot over het ijs naar het land te gaan. Kat en zijn mannen stapten zodra het kon in de overgebleven sloepen. Na een korte vaart besloten ze om ook via het ijs naar het land te lopen. Het hout van de sloepen stookten ze in een vuur. Om warm te worden maakten ze thee en aten van de laatste scheepsbeschuiten. Tijdens de tocht over de schotsen gleden sommigen in het water, verdronken of werden geplet door de ijsschotsen. Kat raakte ook tweemaal te water maar werd beide keren gered. In de daaropvolgende nacht vroor een aantal mannen dood. De ijsschots bereikte het land en de mannen sprongen over van de ene ijsschots naar de andere tot ze op het land waren aanbeland.

Mosselen
Kat telde toen nog 18 mannen. Waar de anderen gebleven waren was hem grotendeels onbekend. Verdronken, verpletterd, opgevreten, bevroren. Ze vonden hout en mosselen en maakten een vuurtje waar ze de mosselen op konden koken.
Aan land ontmoetten ze ‘wilden of inboorlingen’ die de mannen naar een veiliger plaats overbrachten. Ze kregen soep van zeehondenvlees. ‘Niemand, die zulks niet ondervonden heeft, kan geloven hoe smakelijk wij daarvan aten’. Kat beschreef de aard en gewoonten van de inboorlingen.

Vermeerdering
‘Bij vermeerdering van gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. Staande dat tijdstip zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw gaat gemeenlijk met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn hun voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten onder hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en dadelijk met alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te winnen, onder de steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle avonden een vierde uur lang over de afgestorvenen en wel met tranen. Daarna zijn zij vrolijk en leven zeer vreedzaam. Zij zingen niet. Spreken en lagchen is hun vermaak.’

Wilden
Bij de ‘wilden’ ontmoette Hidde Kat zijn collega Jans, die ook was gered. Ze werden opgevangen en gevoed door de eskimo’s. Na een maand vertrokken Kat en de mannen naar een Deense kolonie waar ze op ‘vaderlanschen kost’ werden onthaald. Daar brachten ze de winter door. In augustus van 1778 zette Kat eindelijk weer koers naar huis. Op 20 september 1778 was hij weer terug in Hamburg. Daar kwam hij zijn zwager commandeur C.J. Ney tegen. Hij vernam van Ney dat tijdens zijn afwezigheid een van zijn twee kinderen was gestorven.

‘Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland Ameland en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven’

Bronnen: 

Persbureau Ameland

Average: 5 (1 vote)
Reactie plaatsen? Lees eerst de huisregels.

Advertentie